De avonturen met de Uncles

To the moon! (Part 6)

Door Chief op maandag 12 november 2018 02:52 - Reacties (32)
Categorieën: Uncles, Werk, Views: 1.568

Terwijl de berichtjes van Mark binnen blijven komen dat zijn pogingen om RichiRich te bereiken niets hebben opgeleverd scroll ik op mijn telefoon naar het nummer van Uncle John. Als ik zijn nummer heb gevonden blijft mijn vinger boven het scherm zweven en twijfel ik even. Het daaropvolgend bericht van één van mijn medewerkers maakt aan alle twijfels een einde: iedereen behalve Dave zijn in een vergaderruimte gezet met twee “bewakers” en de angst sluipt er nu goed in. “Please help us” staat er als laatste bericht op mijn scherm.

Enkele seconden nadat ik op het scherm heb getikt neemt Uncle John op die zoals altijd hartelijk klinkt. Ik moet hem helaas onderbreken en met serieuze stem vertel ik hem dat ik problemen heb. Uncle John stopt meteen met praten en luistert. Op zo’n korte maar duidelijk mogelijke manier leg ik hem uit wat er is gebeurd: mijn medewerkers zitten vast in ons kantoor in Bangkok en worden daar tegen hun wil door een aantal mannen vastgehouden. We verdenken onze partner aangezien ze op zoek zijn naar alle admin login gegevens. Die partner en diens vrouw hebben goede relaties met zowel de politie, politiek alsmede de onderwereld.

Ik hoor mezelf het verhaal vertellen en zelfs in mijn eigen hoofd klinkt het absurd maar mijn benauwde stem verraadt dat het mij menens is. Mijn enige prioriteit is om mijn medewerkers daar veilig weg te krijgen en of Uncle John mij op wat voor manier dan ook kan helpen. Op heel zakelijke toon vraagt Uncle John naar details van de situatie: hoeveel medewerkers? Zes antwoordde ik. Hoeveel van de andere partij? Ongeveer tien. Waren ze gewapend? Volgens mij niet. Waar was ons kantoor? Ik gaf hem de naam van het gebouw waar ons gebouw gevestigd was, inclusief de verdieping. Als laatste vroeg hij waar ik was. In een hotel iets verderop was mijn antwoord. Enkele seconden bleef het stil aan de lijn.

“Ik bel je zo snel mogelijk terug en in de tussentijd blijf je op je kamer, ok?” klonk het. Ik antwoordde bevestigend en Uncle John hing op. De tijd kroop voorbij. Ik hoopte dat Dave ondertussen zo slim was geweest om gewoon te geven waar die mannen om vroegen maar daar leek het niet op. Ik stuurde nog een berichtje naar mijn collega: “Blijf rustig, werk mee en hulp is onderweg”. Hulp is onderweg….. Ik wist niets beter te zeggen en ik hoopte maar dat die woorden uit zouden komen, in wat voor vorm dan ook.

Eindelijk verscheen de naam van Uncle John op mijn scherm en snel pakte ik op. “Luister heel goed” begon Uncle John meteen en ik hield mijn adem in. Ik moest zorgen dat ik binnen een kwartier bij ons gebouw zou zijn. Dichtbij genoeg om de ingang te zien, ver genoeg weg om uit het zicht van dezelfde ingang te zijn. Ik moest pas tevoorschijn komen als ik een aantal tuk tuks voor de ingang zag verschijnen met daarin een man of twintig in totaal. Zij zouden mij wel herkennen als ze mij zagen, Uncle John had een foto van ons samen gestuurd. Slim, dacht ik bij mezelf.

Je gaat met die mannen naar binnen en die mannen gaan ontzettend veel kabaal maken en zorgen dat jij je mensen weg kan halen. “Hoor je dat Chief?” vroeg Uncle John en het enige wat ik kon zeggen was “Ja….”. “Maar Chief” ging Uncle John verder. “Als er ook maar één een wapen trekt, het maakt me niet uit wie, dan maak je je uit de voeten. Met OF zonder je mensen. Begrepen?”. Ik bleef stil. “Chief jongen?” klonk het. “Ik kan ze daar niet laten zitten Uncle John” klonk het na een paar seconden. Een zucht aan de andere kant van de lijn. “Haast je nu en bel mij zodra je de kans hebt” zei Uncle John nog. Ik bedankte hem snel, schoof mijn telefoon in mijn achter broekzak, schoot mijn schoenen aan en stormde naar buiten. Ik nam de trap om vanaf de vijfde verdieping naar beneden te gaan. Hoewel het hotel bijna een kilometer van ons kantoor was zag ik het moderne en hoge gebouw in de verte al staan. Ik probeerde zo snel mogelijk te rennen wat lastig was aangezien het stervensdruk was op straat. De avond was begonnen en dus legden straattentjes beslag van de stoep en de hongerige klanten dromden zich er om heen.

Hijgend kwam ik bij het gebouw aan en zag net een aantal tuk tuks stoppen bij de ingang. Ik stopte even bij het zien van de gedaantes die uit de tuk tuks sprongen. Ging dit gebeuren, dacht ik bij mijzelf? Ging ik nou echt ons eigen gebouw bestormen met mannen die ik niet ken? Met mannen die zogezegd hoogstwaarschijnlijk geen lid waren van het kerkkoor? Had ik een keus? Ik schudde de vragen van mij af en zette het weer op een sprint. Dichtbij de tuk tuks merkten een aantal mij op en ik zag ze op hun mobiel kijken en vervolgens weer naar mij. Grappig, blijkbaar gebruikten ook de mafia tegenwoordig ook een groepschat.

In een andere situatie zou ik hier waarschijnlijk hard om lachen maar ik kon met geen mogelijkheid een glimlach op mijn gezicht toveren. Zwaar ademend stond ik nu voor die groep mannen. Een daarvan, waarschijnlijk de leider, kwam naar mij toe. “Let’s go” zei hij. “Let’s go” antwoordde ik.

The Good, the Bad and the Condemned, part XV

Door Chief op maandag 29 januari 2018 03:35 - Reacties (36)
Categorie: Uncles, Views: 2.283

Na een kort verblijf op het politiebureau was ik bij Uncle John en Aunt Mai thuis op de bank in slaap gevallen ondanks dat Uncle John was nog steeds op het bureau was. Hoe het toen verder ging lezen jullie hieronder

Ineens schrok ik wakker en ondanks dat het al licht was ik kon mij niet meteen oriënteren. Langzaam kwam ik weer tot bewustzijn: ik lag op de bank bij Uncle John en Aunt Mai. Uncle John! Ik was nu plotsklaps weer klaar wakker. Er was een deken over mij heen gelegd, waarschijnlijk door Aunt Mai, die ik snel van mij afgooide. Ik hoorde zacht gepraat uit de eetkamer komen. Ik sprong op en liep naar de eetkamer.

Eenmaal in de deuropening zag ik tot grote verbazing daar Uncle John en Aunt Mai aan een ontbijt zitten. Ik weet nog goed wat er op tafel stond: congee, dough fritters en rice rolls. Beiden gaven mij een grote lach. “Zo schone slaper, uitgeslapen?” pestte Uncle John. Versteend bleef ik staan. “Hoe….wat….wanneer” stamelde ik. “Normaal zou ik liever hebben dat je je eerst gaat douchen en je tanden gaat poetsen maar vooruit, ik zal over mijn hart strijken dus kom maar gewoon aan tafel zitten” lacht Aunt Mai. Ze roept één van hun huishoudsters die snel een extra couvert op tafel zet en ook van haar krijg ik een uiterst vriendelijke glimlach.

Mijn lege maag stuurde mijn benen aan en ik ging aan tafel zitten. Hoe nieuwsgierig ik ook was, mijn maag was altijd de dominante orgaan in mijn lichaam. Gelukkig kon ik nog enigszins aan de tafelmanieren denken maar tjonge, het leek wel of ik een week niet gegeten had terwijl ik de avond daarvoor nog behoorlijk had zitten tafelen met de Uncles. Mijn tafelgenoten keken geamuseerd toe en toen waagde ik het er maar op: wanneer was Uncle John nou thuisgekomen?

Het antwoord bleek dat Uncle John zo’n twee uur geleden thuis was gekomen en dat rijmde wel met de vermoeidheid op zijn gezicht. Ik had de beste man niet thuis horen komen, zo diep sliep ik. Al met al had hij toch aardig wat uurtjes door moeten brengen op het bureau. Gelukkig had hij weinig aansporing nodig om door te gaan en vertelde hij zijn verhaal terwijl ik door bleef happen.

Eigenlijk was het allemaal niet zo spannend. Ze ondervroegen hem in eerste instantie over de pokergame in Kings casino. Of hij wist wie die toko runde, of hij eerder had deelgenomen etc etc. Mark, de advocaat, was erbij geweest en in principe hoefde Uncle John de vragen niet te beantwoorden want hij niet officieel in staat van beschuldiging gesteld maar als “goodwill” had hij het spelletje meegespeeld door vriendelijk te antwoorden maar nul komma nul informatie te geven. Yea, two can play that game.

De sfeer werd grimmiger toen ze begonnen over allerlei activiteiten van de triades en daarnaar informeerden. Met name de verdwijning van die triade leider kon op veel interesse rekenen. Uncle John wist heel zeker dat Lok Sir meeluisterde ondanks dat hij zich niet liet zien en ik citeer: “De lafaard”. Dat was voor Uncle John ook het moment om iedere vorm van medewerking te staken. Dat ging even door en eindigde met de gebruikelijke dialoog: de politie die dreigden Uncle John 24-48u vast te houden en Mark die daarop dreigde alles wat los en vast stond aan te klagen. Een dans die de twee partijen vaker gedanst hadden en steevast eindigde met hetzelfde resultaat: Uncle John op vrije voeten.

De andere Uncles waren al eerder vrijgelaten en stonden hem buiten op te wachten. Zonder verder een woord te wisselen ging ieder zijn eigen weg. Nou ja, zonder woorden…. Uncle Ngau was natuurlijk weer laaiend over de tijdverspilling, gniffelde Uncle John. In het Chinees heb je een gezegde: hou ouder de gember, hoe pittiger het wordt. Uncle Ngau was een levend voorbeeld dat dat klopte.

Uncle John kon zich er niet meer druk om maken, niet goed voor zijn bloeddruk. Hij kon er toch weinig tot niets aan doen en hij begreep donders goed dat hij er ook zelf verantwoordelijk voor was. Hij was ooit lid van de triade en dat was een stempel die je nooit van je af kon wassen, hoe hard je het ook probeerde. Ik wist niet of Uncle John mij hiermee een waarschuwing probeerde te geven of niet maar ik had sowieso geen enkele intentie om bij de triade te gaan. Nee, aan dezelfde tafel zitten met bejaarden die daar wel een verleden in hadden vond ik meer dan spannend genoeg.

Aan zijn toon merkte ik dat hij nu toch wel erg moe werd, de energie verdween uit zijn stem. Ik vond het dan ook wel een gepast moment om te vertrekken maar niet voordat ik Aunt Mai beloofd had binnenkort weer eens te komen eten. Een knuffel en een hand later stond ik buiten waar hun chauffeur al klaarstond om mij naar huis te brengen. Ineens schoot Uncle John nog iets te binnen: hij was Percy tegengekomen op het bureau die blijkbaar op mij stond te wachten. Hij had haar naar huis gestuurd met de mededeling dat ik veilig was. Ik moest haar zelf maar even bellen maar “ik kon beter zorgvuldig mijn woorden kiezen”. Met een knipoog liep hij terug naar binnen en stapte ik in de auto die geruisloos weg reed. Ik liet mij languit in de stoel zakken. De gevangenis was opeens niet meer zo’n eng alternatief…….


NAWOORD
Zo, met die 15e deel is ook een slot gekomen aan dit verhaal. Aan de ene kant was het vrij bizar om dit meegemaakt te hebben, met name het vastzetten van de politie (LoL), maar aan de andere kant was het ook weer niet bijzonder spannend in die zin dat ik vrij snel het politiebureau mocht verlaten. Wat ik eigenlijk al wist was nogmaals bevestigd: je bent een triadelid voor het leven, gebrandmerkt, ook al heb je nog zo hard gewerkt om uit dat wereldje te stappen. Ik kan aan de ene kant soms nog steeds nauwelijks geloven dat de Uncles, de vriendelijke bejaarde mannen waar ik zoveel lol mee kon beleven en die zich zo om mijn wel een wee bekommerden, in hun verleden iemand kwaad hadden kunnen doen maar dat is op z'n minst naïef te noemen. Voor mij zijn de Uncles daarom ook de belichaming voor the Good, the Bad and the Condemned......

The Good, the Bad and the Condemned, part XIV

Door Chief op maandag 22 januari 2018 10:32 - Reacties (25)
Categorie: Uncles, Views: 2.095

De Onbekende Man had mij verlost van mijn bezoek aan het politiebureau in Wan Chai. Ik wist niet wie hij was maar ik was blij dat ik mocht vertrekken. De Uncles waren nergens te bekennen maar buiten werd ik opgewacht door Aunt Mai. Wat er toen gebeurde, dat lezen jullie hieronder

Het was altijd fijn om Aunt Mai te zien maar nu helemaal aangezien er geen spoor van de Uncles te bekennen was. Na een dikke knuffel gebood ze mij mee te gaan naar de auto. “En de anderen dan?” vroeg ik? Dat kon wel even duren volgens Aunt Mai en er was niets wat we konden doen. Haar chauffeur hield netjes de deur voor ons open en bij het instappen keek ik de man even aan die daarna bemoedigend knikte. “Maak je geen zorgen, alles komt goed” leek hij te zeggen.

In de auto zakte ik onbedoeld onderuit. De adrenaline begon te zakken en het was al met al toch wel een lange dag geweest waarin ook nog veel gebeurd was. Een achtervolging, uit een pokerclub gegooid worden, denken versierd te worden door een mooie dame maar een blauwtje lopen, met de politie mee naar het bureau…. Er waren maanden dat ik minder beleefde zeg maar. Ineens sprong ik weer op zodat ik met mijn kop tegen het plafond van de wagen kopte. De Uncles!!

Pas nu vroeg Aunt Mai wat er nou eigenlijk gebeurd was want van ome agent had ze geen enkele nuttige informatie gekregen. Ze had een belletje van Mark gekregen dat de Uncles en ik naar het bureau waren gebracht en toen is ze zo snel mogelijk naar het bureau gekomen. “Mark?” vroeg ik? “Ja, Mark. Je hebt hem ontmoet. Mark Young” was het antwoord….. At least one mystery solved!! De man die mij dus uit de kamer haalde was Mr. Young, de advocaat! Dat had ik kunnen raden natuurlijk….

Anyway, ik gaf Aunt Mai een zo nauwkeurig mogelijke run down van wat er de vorige avond gebeurd was: vanaf de ontmoeting met Lok Sir, de achtervolging die in de kiem gesmoord werd door het “tactisch plaatsen van een aantal personenbusjes”, het verwijderd worden uit club Blue, tot de politie inval in King’s hotel. Ik liet het voorval met Percy maar achterwege aangezien ik dat niet echt relevant vond. Ik maakte duidelijk dat we op het moment van de inval niet aan de pokertafels zaten maar dat ik Lok Sir wel bij het politiebureau had gezien.

“Lok Sir”, verzuchte Aunt Mai. Had die nou echt niets beters te doen vervolgde ze. Daarna legde ze kort de geschiedenis tussen de Uncles en Lok Sir uit wat vrijwel één op één overeenkwam met wat ik eerder die dag gehoord had van de Uncles. Op dat moment merkte ik dat de auto niet richting de Peak reed waar Uncle John en Aunt Mai woonden maar dat we richting mijn appartement gingen. Ik vroeg Aunt Mai of ik bij hen kon wachten tot er nieuws was van de Uncles. Het voelde namelijk niet goed om thuis te zijn terwijl de Uncles nog op het bureau waren. Daar zag Aunt Mai de logica ook wel van in en dus kreeg de chauffeur de opdracht om naar hun huis te gaan.

Eenmaal aangekomen bij hun huis was het al midden in de nacht. Desondanks kwam Aunt Mai bij mij op de bank zitten. Ze zag mijn enigszins bezorgde blik en glimlachte. Ik hoefde me geen zorgen te maken, het was slechts een kwestie van even geduld hebben voordat Uncle John thuis zou komen. Ik merkte aan haar stem dat ze zich daadwerkelijk geen zorgen maakte of ze had het in ieder geval vaker meegemaakt. More likely: een combinatie van beiden. Dat laatste bleek het geval te zijn toen Aunt Mai ging vertellen. De talloze keren dat ze Uncle John hadden opgepakt, vaak voor het minste of het geringste. Een beetje treiteren, proberen te intimideren.

Aunt Mai was ook goudeerlijk door te verklaren dat ze de eerste zou zijn als ze aan die kant van de wet had gestaan. Ze wist verre van alles af wat Uncle John en consorten uitspookten maar uiteraard ging niet alles volgens de wet. Het probleem was echter dat het getreiter gewoon doorging toen Uncle John de onderwereld al lang en breed verlaten had. Ik antwoorde maar niet dat ik ergens ook wel begreep dat niet iedereen Uncle John z’n woorden zou vertrouwen. Trouwens, het hielp natuurlijk niet dat Uncle John nog steeds heel veel respect genoot van de triade en ook nog eens wel eens als scheidsrechter werd gevraagd.

Toch, ging Aunt Mai verder, het maakte niet uit hoe hard Uncle John zijn best ook deed, hij zou altijd de schijn tegen zich hebben. Hij was voor het leven veroordeeld, condemned. Ze zuchtte. Verdiend of niet verdiend, het was het resultaat van de keuze die ze vele jaren geleden hadden gemaakt: de keuze voor de triade. Ze excuseerde zich even en verliet de huiskamer. Het was laat en muisstil in het huis. Ineens kwam de klap van de vermoeidheid. Voor heel even deed ik mijn ogen dicht. Even bijtanken. Ik voelde mij opmerkelijk veilig in het huis van Uncle John en Aunt Mai. Behaaglijk en veilig. Ongenaakbaar. Zo viel ik op de bank in slaap.

The Good, the Bad and the Condemned, part XIII

Door Chief op dinsdag 16 januari 2018 10:37 - Reacties (25)
Categorie: Uncles, Views: 2.392

Met de Uncles was ik in een politiebusje aangekomen op het politiebureau van Wan Chai. Wat er zich vervolgens afspeelde, dat lezen jullie hieronder

Met de gezicht van herkenning van Lok sir draaide mijn maag een beetje om want dit kon geen toeval zijn. Ik deed de aanname dat het telefoontje die ik de agent zag maken in de pokerroom richting Lok sir was of in ieder geval werd gemaakt om Lok sir te verwittigen. Ik bedoel, de agent zag de Uncles, pleegde een telefoontje en nu zagen we Lok sir. Je hoeft geen Einstein te zijn om die link te leggen….

Lok sir liep naar binnen op het moment dat wij uitstapten, alsof hij zich ervan wilde verzekeren dat de Uncles uit het busje stapten. Met Lok sir uit het zicht volgden wij de agenten het bureau binnen al leken de Uncles geen tourgeleiden nodig te hebben. Op zich wel logisch want ik kon mij niet voorstellen dat dit de eerste keer was dat zij dit, of ieder ander politiebureau, voor het eerst bezochten.

Ik was wel verbaasd dat de wachtruimte die wij betraden compleet uitgestorven was. Het was immers zaterdagnacht en ik had in mijn hoofd een beeld van een met prostituees en dronkenlappen uitpuilende politiebureau. Toeval of niet, op deze zaterdag wij waren de enigen in de wachtruimte. We hadden nauwelijks onze stoelen opgewarmd of ik mocht als eerste met ome agent mee. Ik nam het ze niet eens kwalijk ook niet: ik zou ook op zoek gaan naar de schakel en ook nu geldt dat je geen Sherlock Holmes hoefde te zijn om te ontdekken wie dat was…. Ik dus.

De bemoedigende knik van Uncle John ten spijt moest ik heel eerlijk toegeven dat ik niet geheel zorgeloos opstond om met de agent mee te gaan. Uncle John stond op en fluisterde iets in mijn oor: “Geef vooral eerlijk antwoord op de vragen die ze je stellen”. Uncle Ngau deed dat op zijn eigen (en veel minder subtiele) manier door hardop te verkondigen dat ik mij geen zorgen hoefde te maken en dat hulp onderweg was. Hulp? Op dat moment was ik eigenlijk te nerveus om helder te kunnen denken en kon dan ook niet bevatten wat, of beter wie, onderweg was.

De agent nam mij mee naar een lange gang met talloze deuren en ondertussen sloeg mijn fantasie op hol. Ik zag mijzelf al in een donker kamertje zitten, met mijn rug naar een spiegel die natuurlijk maar van één kant doorzichtig was. Dat ik kei- en keihard dagen ondervraagd zou worden door een dozijn doorgewinterde agenten met een felle bureaulamp in mijn gezicht. Het zweet kwam weer langzaam op mijn voorhoofd en zelfs het duiveltje liep zenuwachtig heen en weer terwijl het engeltje bevend in de spelonken van mijn gedachten zat. Een ding was zeker, van die twee kon ik iedere vorm van hulp wel vergeten.

Mijn verbazing was dan ook groot toen de agent mij naar een grote kamer dirigeerde waar een tiental bureaus stonden. De bureaus waren verlaten maar ik voelde mij al een stuk geruster. Ik nam plaats aan een van de bureaus terwijl de agent aan de andere kant ging zitten. Hij legde mijn ID kaart op het bureau en stelde mij wat elementaire vragen. Naam, geboorte datum, ID nummer. De eerste twee kon ik feilloos beantwoorden maar mijn ID nummer, die kende ik niet uit mijn hoofd. De agent keek mij verbaasd aan maar ik vertelde dat ik pas een aantal maanden in het bezit van de ID kaart was. Ik was namelijk pas een paar maanden geleden naar Hong Kong geëmigreerd. Waar ik vandaan kwam. Nou, Nederland. Kleine glimlach van de agent. “Goellit” zei die. Ja natuurlijk, Gullit. Met liefde zou ik de basis elf van de EK finale van ’88 oprakelen als ik maar van deze ongein verlost zou worden maar helaas.

De agent leunde nu rustig achterover en vroeg wat ik in Kings hotel deed. Nou, gewoon een drankje met vrienden. “Vrienden?” vroeg de man nieuwsgierig. “Die mannen zijn minimaal twee keer zo oud als jij?” ging hij verder maar voordat ik de vraag had kunnen beantwoorden klopte er iemand op de deur. Blij met de afleiding draaide ik mij om en in de deuropening zag ik een agent met een oudere man naast hem staan. “Voor hem” wees de agent in de deuropening naar mij en de oudere man liep verbazend vlot naar het bureau waar ik aan zat. Klaarblijkelijk kenden de agent en de man elkaar want het ging best joviaal. Zo van “Hallo, hoe gaat het? Zo laat nog hier? Alles goed met je kinderen? Is de oudste al afgestudeerd”.

De mannen wisselden minuten lang koetjes en kalfjes uit en ik had zoiets van: ja hallllooo!! Ik ben hierrrrr, ben er ook nog! Eindelijk leek het dan over mij te gaan. De onbekende man vroeg of hij mij mee mocht nemen en de agent stemde eigenlijk meteen in. Ik gleed bijna van verbazing van mijn stoel. Ging dat zo makkelijk tegenwoordig? Had ik iets gemist? Ik wilde het risico echter niet lopen dat de agent zich zou bedenken en sprong op. Onbekende Man, laat ik hem even zo noemen, knikte mij vriendelijk toe en vroeg de agent of hij mij naar buiten wilde begeleiden want hij moest nog wat dingen doen op het bureau.

“Ga maar alvast, er staat iemand op je te wachten buiten” vertelde Onbekende Man en half verdoofd liep ik weer met de agent mee. Het duizelde in mijn hoofd van de vragen: wat er was gebeurd, wie Onbekende Man nu eigenlijk was en wie er op mij stond te wachten. Toen we door de wachtkamer liepen was deze net zo verlaten als dat die was toen wij arriveerden en ik had geen flauw idee waar de Uncles waren. Stonden zij al buiten op mij te wachten? De agent geleidde mij naar buiten waar tenminste één van de vragen werd beantwoord want daar stond Aunt Mai! Godzijdank, eindelijk enig licht in de duisternis.

The Good, the Bad and the Condemned, part XII

Door Chief op dinsdag 9 januari 2018 04:36 - Reacties (22)
Categorie: Uncles, Views: 2.297

Nadat ik ogenschijnlijk een blauwtje had gelopen bij Percy vond er een inval van de politie plaats in de pokerclub waar wij ons op dat moment bevonden. Hoe het toen verder ging, dat lees je hieronder

Het leek erop dat de politie weer eens van zich wilde laten zien bij de illegale pokerclubs die als paddenstoelen uit de grond groeiden in Hong Kong. Wel humor als je bedenkt dat het ook wel min of meer de schuld van de overheid zelf was door heel lang een gedoogbeleid te hanteren terwijl het aanbieden van pokeren om geld illegaal was. Dat pokerclubs dit zagen als carte blanche en zelfs openlijk gingen adverteren hielp de zaak natuurlijk niet.

Dit was dan ook niet de eerste keer dat ik aanwezig was bij een politie inval tijdens het pokeren. Dat is een redelijk lang verhaal, afijn, dat kan je hier nalezen. Het stelde allemaal weinig voor en deze keer had ik zelfs het geluk dat ik helemaal niet aan het pokeren was: ik zat nog met de Uncles aan de bar! Ik keek dan ook uiterst relaxed naar het tafereel wat zich voor mij afspeelde.

De emoties die ik zag verschilden nogal. Zo hadden enkelen duidelijk al één of meerdere invallen meegemaakt en “knew the drill” terwijl de n00bs behoorlijk nerveus op hun stoel aan het wippen waren. Een agent riep iedereen op om naast elkaar te gaan staan in een rij bij de muur, de ID tevoorschijn te halen en vooral stil te zijn. Gedwee volgden de meesten de instructies op. Meesten, want de Uncles en ik bleven rustig aan de bar zitten.

Enkele agenten liepen dan ook op ons af en één van hun was zo vriendelijk om te vragen of we doof waren. “Geen idee wat hier aan de hand is maar wij zijn gewoon een drankje aan het doen hoor” antwoordde Uncle Yin droog. Toen wij geen enkele aanstalten maakten om op te staan kwam, wat ik aannam, de leider van operatie op ons af. Het was niet moeilijk te zien dat hij de Uncles herkenden want zijn gezicht dat op standje onweer stond veranderde in een gezicht dat duidelijk verbaasd was. Zonder een woord te zeggen stak hij een hand op naar de agenten die bij ons stonden als teken dat ze daar moesten blijven staan, draaide zich om en greep een mobiele telefoon uit zijn broekzak.

Nu was het wel tijd om een beetje zenuwachtig te worden want de combinatie van herkennen van de Uncles plus een telefoontje plegen leek mij niet een heel positieve ontwikkeling. Een paar minuten later kwam de kopman terug en liep hij naar Uncle John. Of wij rustig met hem mee wilden naar het bureau. Nu werd Uncle Ngau pissig want wij waren toch gewoon wat aan het drinken? Hij wilde best zijn ID laten zien om te bewijzen dat hij oud genoeg was om alcohol te bestellen. Uncle John stond langzaam op en zei in een kalme stem dat zij meer dan bereid waren om mee te gaan. “Hij moet ook mee” wees de kopman nu naar mij en ik voelde een schok door mijn lichaam toen de vinger naar mij wees. Ik plaste nog net niet in mijn broek…..

Toch vermande ik mij snel, stond op en ging bij de Uncles staan. Samen uit, samen thuis. Simpel. Terwijl de hele groep van pokeraars nog in de rij stonden liepen wij vijven met een aantal agenten naar de lift. Wachtend op de lift snelde Percy ineens naar ons en vroeg aan één van de agenten naar welk bureau wij gingen. Dat ging haar niets aan bitste één van de aangesprokenen terug. “Maar dat is mijn vriendje en ik heb het recht om te weten waar jullie hem mee naar toe nemen!” en wederom wees een vinger naar mij en ook nu voelde ik een schok door mijn lijf. “Wanchai” zei de kopman waarna Percy een zoen plantte op mijn verbaasde gezicht met de belofte dat ze daar op mij zou wachten. Een vooruitzicht waar ik niet wist wat ik daarvan moest vinden.

Eenmaal beneden zagen we de chauffeur van Uncle Yin al staan die natuurlijk de politie had opgemerkt en ik zag hem meteen bellen na een knikje van Uncle Yin. Mijn fantasie ging even volledig door het dak: Ik zag in mijn gedachten al een spectaculaire ontsnapping met een meute bendeleden die zich al schietend een baan naar ons toe vrijmaakten. Al kogels ontwijkend sprongen wij in een vluchtwagen om met piepende banden weg te rijden, gevolgd door de sirenes van tientallen politiewagens waarna ik jubelend “YOU’LL NEVER GET US ALIVE!!” schreeuwde.

Bruut werd ik uit mijn dromen ontwaakt toen ik mijn kop stootte bij het betreden van het busje waardoor ik vrij hard op mijn achterste viel wat op gegniffel van de aanwezigen kon rekenen. Vlug wipte ik op mijn voeten en een agent duwde nu mijn hoofd omlaag bij het instappen om herhaling te voorkomen. Nee, ik was duidelijk niet gemaakt voor een heldenrol in een actiefilm. Zoveel mag wel duidelijk zijn.

Zonder zwaailichten kwamen we snel bij het bureau in Wan Chai aan wat naast het hoofdkantoor van de politiemacht staat. Een ezel stoot zich geen tweemaal aan hetzelfde plafond en dus kromp ik een beetje in bij het uitstappen en stond zowaar zonder verdere schade weer buiten het busje. Helaas was dat het enige positieve want op een paar meter zag ik een persoon die ik herkende: Lok sir.